Home Verhalen Algemeen Water op Noord-Beveland
Afdrukken E-mail

 
Water op Noord-Beveland
Door A.J. Barth, Goes.

In 1880 deed de Geneeskundige Raad voor Zeeland verslag van zijn onderzoek naar goed drinkwater in de provincie. Drinkwater kwam uit de kerken bakken of uit welputten. In de steden waren meestal wel een paar pompen. Het was niet best gesteld met de waterkwaliteit, al viel het op Noord­Beveland wel mee. Alleen het welwater in Kats was af te keuren, de rest van de bakken en putten in de gemeenten Kortgene, Colijnsplaat en Wissenkerke was drinkbaar tot zeer goed drinkbaar, afgezien van enkele welputten, die 'beestjes' hadden. In 1909, toen vrijwel alle gemeenten op Zuid-Beveland besloten tot de aanleg van waterleiding, kwam de totstandkoming van een waterleidingnet op Noord-Beveland ook aan de orde, maar die plannen verdwenen van tafel toen het Rijk niet genegen bleek om de kosten van verlenging van de leiding tot aan de Zandkreek, met de aanleg van een duiker, te betalen. De Kortgeense gemeenteopzichter zag die plannen he­lemaal niet zitten. Huis aan huis was voorzien in de aanleg van een regenwaterbak, vele boerenhofsteden hadden er zelfs twee. De bouwverordening schreef voor, dat er bij nieuw te bouwen woningen een regenbak van minstens drie kubieke meter water moest worden geplaatst. De aanleg van waterleiding zou dermate grote financiële offers vragen van de gemeenten, dat ze welhaast tot de bedelstaf zouden geraken. Het was aldus de opzichter, "niet gerechtvaardigd om voor zelden voorkomend watergebrek zulke groote uitgaven te doen." De waterschaarste van 1911 bracht geen ommekeer in dit standpunt. In 1934 richtte burgemeester Stute van Colijnsplaat een comité van actie op, dat een onderzoek moest instellen naar de mogelijkheid van waterleiding op Noord-Beveland. Vele landarbeiders waren langdurig werkloos en met het aanleggen van waterleiding, waaraan veel grondwerk verbonden was, kon­den zij loon verdienen en behoefden ze niet de hand op te houden bij de Burgerlijke Armbesturen. Daar stond tegenover, dat de kosten van aanleg niet gering zouden zijn, maar dat wilde de burgemeester nu juist laten onderzoeken. Het comité vroeg aan de vier Noord-Bevelandse gemeenten om een subsidie van tien cent per inwoner om dat onderzoek te kunnen laten uitvoeren. De Colijnsplaatse gemeenteraad stemde zonder problemen met dat voorstel in, net als die van Kats, maar die hadden Stute dan ook als voorzitter.

Tegenstand
In Wissenkerke had men er moeite mee. Daar was namelijk een Comité van Actie tegen de waterleiding opgericht. De leden daarvan waren langs de deuren gegaan. Uit dat onderzoek was gebleken, dat maar 33 Noord-Bevelandse gezinshoofden voor de aanleg van waterleiding waren en 632 tegen. Het raadslid Van Halst was er sterk voor om wel een onderzoek te laten instellen. Hij hekelde de tegenactie. Over de prijs van het water werd de meest fantastische onzin verteld. Dat kwam omdat het tegen comité bestond uit ,,persoonen, die door hun welsprekendheid de massa kunnen inspireeren, doch het ideaal dat zij nastreven is dikwijls als een zeep­bel. " Van Halst had zelf onderzoek gedaan in Koudekerke en in Borssele en daar had hij zowel onder arbeiders als onder welgestelden slechts lovende woorden gehoord over de prijsstelling van het leidingwater. Als Noord-Beveland tuinbouw en toerisme binnen haar grenzen wilde hebben, dan was een wa­terleiding noodzaak. Zijn collega De Ridder had geen behoefte aan waterleiding. Bijna alle inwoners van het eiland hadden goede regenbakken. Het voor­stel om geld beschikbaar te stellen voor het onderzoek werd met zeven tegen twee stemmen verworpen. In Kortgene konden burgemeester en wethouders niet tot een eensluidend advies komen. De burgemeester was ervoor en de wethouders waren tegen. De raadsleden Waren verdeeld. Het merendeel was tegen het beschikbaar stellen van het dubbeltje per inwoner. Zou het onderzoek worden gedaan, dan kreeg Wissenkerke zonder te betalen de uitslag van het onderzoek en dat vonden de Kortgeense vroede vaderen wat al te mal.

Overstroming
Noord-Beveland bleef daarom in die jaren van waterleiding verstoken. De Ramp van 1953 bracht naast veel leed op het eiland, een schrijnend gebrek aan goed en zuiver drinkwater, met name in de overstroomde gebieden aan het licht. Nadat de dijken waren gedicht en de straten weer droog, werden de plannen tot aanleg van waterleiding met behulp van de Zuid-Bevelandse waterleidingmaatschappij met kracht bevorderd en uitgevoerd en zo had in 1955 iedereen op Noord-Beveland water uit de kraan.

Dank aan Allie Barth voor het gebruik van zijn artikel, juni 2007.
[Ook gepubliceerd in de PZC van 4 april 2001, in de rubriek 'Even omzien']