Home Verhalen Algemeen Rode haan kraaide in Kats
Afdrukken E-mail

 
Rode haan kraaide in Kats
Door: A.J. Barth, Goes.

Dat was schrikken in Kats, het dorp waar nooit wat gebeurde, op die dertiende september 1863 rond twee uur in de middag. Geroep van brand, brand en klokgelui deed de mannen van de brandweer zich haasten naar de bergplaatsen van het blusmateriaal. Er was brand op de hofstede van Abraham Markusse. Pieter Eversdijk, de opper­brandmeester, had zijn onderscheidingsteken opgedaan en had zich naar de hoeve begeven, spoedig gevolgd door de onderbrandmeester, die met de manschappen het blusmateriaal had opgehaald.Eversdijk zag dat de schuur en het wagenhuis in brand stonden. Het woonhuis, twee graanstapels en twee klampen hooi waren nog gevrijwaard. De Katse brandweerlieden begonnen onmiddellijk met het blussen van. de schuur en het wagenhuis en het nat houden van de woning. Hulp kwam er van de tegelijkertijd gealarmeerde Colijnsplaatse brandweer, onder leiding van opperbrandmeester Westfaal Quadekkers, die z'n best deed om het graan en het hooi te behouden.De wakkere brandweerlieden van Kortgene arriveerden weer wat later, maar de Katsenaren en de brandweerlieden van Colijnsplaat hadden die bijstand beslist niet nodig. Zelfs toen bleek dat de Katse brandhaken, waarmee de brandende delen van schuur en wagenhuis uit elkaar werden gehaald, door het vuur onbruikbaar raakten, weigerde men de hulp van de Kortgeense brandweer en dat terwijl de Colijnsplaatse blussers de haken vergeten hadden mee te nemen.Ook toen al was er sprake van animositeit tussen de Noord-Bevelandse dorpen. Brandmeesters Eversdijk en Westfaal Quadekkers stuurden de vlakbij wonende boer Jan Willem Markusse naar Colijnsplaat om de haken aldaar op te halen. Dat was nodig, want de wind was gedraaid, waardoor de hoeve van Jan Willem gevaar liep ook in brand te raken. Met man en macht slaagden de brandweerlieden erin om dat te voorkomen. Daarvoor moest tot de avond van de veertiende september worden doorgewerkt.De grote schuur met daarin de oogst en het wagenhuis waren verloren gegaan. Acht varkens en twee kalveren kwamen in de vlammen om. De verzekering dekte de schade. Eversdijk toonde zich in zijn rapport zeer tevreden over de werklust van de leden van de brandweer. We moeten daarbij bedenken dat er sprake was van een plichtbrandweer en geen vrijwillige zoals vandaag de dag het geval is.Op 5 april 1864 kraaide wederom de rode haan in Kats. De brandweercommandant kreeg de mededeling, dat de hoeve van Jan Willem Markusse in brand stond. De brandblusmiddelen werden fluks geladen op de kar van vrachtrijder Abraham Flipse. Op weg naar de brand bleek het niet te gaan om de hoeve van Jan Willem maar nog eens om die van Abraham Markusse. Weer stond de schuur in brand. Als eerste probeerde men de koeienstal te redden. De brandweerlieden gooiden voor een deel de pannen van het dak om beter bij de brandhaard te kunnen komen. Bij de paardenstal paste men dezelfde werkwijze toe. Zo kon men de vlammen in de schuur beter bestrijden. Toen de Colijnsplaatse blus broeders op het terrein van de brand kwamen, kregen de mannen van Eversdijk een poosje rust. Zowel kaf als stro hadden vlam gevat. Toen de brand geblust was, hielden zeven man nog een nacht de wacht met brandladders. Slechts Marinus de Wilde mocht naar huis, omdat hij tijdens de werkzaamheden van een ladder was gevallen en zich 'ernstig had bezeerd.

Pachter
We weten niet waar de hoeve, waarop Abraham Markusse boerde, heeft gestaan. De boerderij was niet zijn eigendom. Hij was pachter. De weduwe J. Claeijssens te Rijssel in Frankrijk was eigenaresse. Er is gedacht aan hoeve Zeldenrust aan de Boomdijk, maar nu er in het procesverbaal zo duidelijk sprake is van twee boerderijen in elkaars nabijheid, waarbij ook nog eens de brandweer van Colijnsplaat en Kortgene kwamen aangesneld, zou het kunnen gaan om de boerderijen Zorgvliet en Zuidvliet aan de Nieuweweg, maar zeker is dat door het ontbreken van verdere schriftelijke bronnen niet. Zorgvliet is later afgebroken. Abraham Markusse had z'n bekomst van het boerenbedrijf. Hij verhuisde in juni 1864 naar Colijnsplaat, maar keerde in mei 1865 weer terug naar Kats, ditmaal als winkelier.In de rapporten werd niet de vraag gesteld hoe het mogelijk was dat binnen een jaar tweemaal brand uitbrak op dezelfde boerderij.

Dank aan Allie Barth voor het gebruik van zijn artikel, juni 2007.
[ook gepubliceerd in: PZC 15 mei 2002]

216